De leren bar die verdween, en wat er voor in de plaats kwam
De oude homobar sluit, de sportschool bloeit. Wat zegt dat over ons? Een essay over verdwenen plekken en nieuwe rituelen.
Op een regenachtige dinsdagavond in november stond er een briefje op de deur van een bruine kroeg in de Amsterdamse Kerkstraat. Bedankt voor 34 mooie jaren. Meer niet. De volgende ochtend was het pand leeg. De krukken weg, de discobal weg, de geur van bier en poppers weg.
De eigenaar, begin zeventig, had er genoeg van. Te weinig klanten. Te hoge huur. En, zei hij later in een interview, “de jongens komen toch niet meer.”
Een stille uittocht
Het is geen nieuw verhaal. In tien jaar tijd verdween de helft van de homobars in Nederland. In Londen was de daling nog sterker: onderzoekers van University College London telden in 2006 nog 125 gay venues. In 2022 waren er nog 50 over. In Berlijn, lang een baken, gaat het dezelfde kant op.
De oorzaken zijn bekend. Grindr en andere apps maakten de kroeg als ontmoetingsplek minder nodig. Huren stegen. Jongere homo’s voelen zich ook welkom in gewone cafés. En corona gaf veel zaken de genadeklap.
Tot zover de feiten. Maar de vraag die blijft hangen is een andere. Wat verliezen we eigenlijk, als een leren bar sluit?
De kerk van de buitenstaanders
Voor wie er nooit kwam: zo’n bar was meer dan een plek om te drinken. Het was een soort kerk voor mensen die nergens anders pasten. Mannen van zestig naast jongens van twintig. Een bouwvakker naast een hoogleraar. Iedereen op voet van gelijkheid, iedereen met hetzelfde geheim dat geen geheim meer hoefde te zijn.
De schrijver Edmund White noemde deze plekken ooit “de enige echte democratie die ik heb gekend.” Dat klinkt romantisch. En dat was het deels ook. Maar er zat een kern van waarheid in.
In de jaren tachtig en negentig kwam je in zo’n bar binnen en wist je meteen: hier hoor ik. Geen uitleg nodig. Geen voorzichtig aftasten of die kerel aan de bar ook … Je kon gewoon zijn wie je was. Voor veel mannen was dat letterlijk de eerste plek waar dat kon.
De sportschool als nieuwe tempel
En nu? De jonge homo van 2026 komt ergens anders samen. In de sportschool. Op het strandje van Zandvoort. Op festivals als Milkshake. Op Instagram. En ja, op Grindr, al noemt niemand dat een gemeenschap.
Dat is niet per se slechter. Het is anders. Een vriend van eind twintig zei het laatst treffend: “Ik heb geen bar nodig om mezelf te zijn. Ik ben mezelf in de supermarkt.” Dat is vooruitgang. Precies waar eerdere generaties voor vochten.
Maar er zit een prijs aan die vrijheid. Als je overal welkom bent, ben je nergens nog echt thuis. De gedeelde plek wordt een gedeelde app. En een app is geen buurt.
De tegenstem
Niet iedereen treurt mee. Journalist Maarten Keulemans schreef ooit dat de oude homoscene ook bekrompen kon zijn. Een wereld met eigen regels, eigen hiërarchie, eigen uitsluiting. Wie niet gespierd genoeg was, of te oud, of te vrouwelijk, of te donker, merkte dat snel genoeg.
Hij heeft een punt. Nostalgie vertekent. De leren bar was geen paradijs. Er was eenzaamheid, er was veel alcohol, er was soms kleinzieligheid. Niet elke verdwenen kroeg is een verlies voor de beschaving.
En toch. Er is iets wat je alleen krijgt als verschillende generaties en types in één ruimte zitten. Een oudere man die vertelt hoe het was tijdens de aids-crisis. Een jongen die voor het eerst hand in hand durft te lopen, en iemand ziet die dat al veertig jaar doet. Die overdracht gebeurt niet op Grindr.
Wat een gemeenschap eigenlijk is
Het woord gemeenschap wordt tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt. De LGBTQ+-gemeenschap dit, de regenbooggemeenschap dat. Alsof het een club is waar je automatisch lid van wordt zodra je uit de kast komt.
Maar een gemeenschap is iets wat je doet, niet iets wat je bent. Je bouwt het door elkaar tegen te komen. Door samen iets mee te maken. Door ruzie te maken en het weer goed te maken. Door een kroeg te hebben waar je op dinsdagavond binnen kunt lopen zonder afspraak.
Als die plekken verdwijnen, verdwijnt niet alleen een café. Dan verdwijnt de infrastructuur waarop een gemeenschap kan bestaan. Je houdt wel een label over. Maar een label is geen thuis.
Het alternatief
Hier past enige zelfkritiek. Want wie mist die plekken dan vooral? Mannen van veertig en ouder. Mensen die er zelf nog opgroeiden. De jongere generatie geeft er minder om, en dat is hun goed recht. Misschien bouwen zij iets nieuws dat wij nog niet zien.
In steden als Rotterdam en Utrecht zie je voorzichtig iets opkomen: queer leesclubs, sportteams, kookavonden. Kleinschaliger dan een kroeg, maar met hetzelfde principe. Regelmatig, fysiek, gemengd.
Of dat genoeg is om het verlies te compenseren, is de vraag. Een leesclub van tien mensen vervangt geen bar van honderd. Maar misschien is dat ook niet meer nodig. Misschien past een kleinere, rustiger vorm van samenzijn beter bij een tijd waarin homo-zijn geen verzetsdaad meer is.
Tot slot
De kroeg in de Kerkstraat is inmiddels verbouwd tot een koffiezaak. Lichte houten tafels, planten, havermelk. Prima zaak, niets op aan te merken. De jongens die er nu zitten weten waarschijnlijk niet wat er eerder stond.
Dat is hoe het gaat. Een stad verandert, een scene verandert, een generatie neemt het over. Zo hoort het. Het enige wat blijft, is de vraag: waar gaan we elkaar nu ontmoeten? Niet digitaal, niet op een evenement van één avond, maar gewoon, op een dinsdag, als het regent.
Het antwoord is nog niet gegeven. En dat is misschien wel de echte uitdaging voor de komende tien jaar.