De donkere kamer verdwijnt, en daarmee iets anders
Steeds meer homobars sluiten. Wat verliezen we als de fysieke ontmoetingsplek verdwijnt achter een scherm?
Op een dinsdagavond in oktober loop ik door de Reguliersdwarsstraat. Vroeger was dit het hart van homo-Amsterdam. Nu staan er drie panden te koop. Een vierde is een bubble tea bar geworden. Voor de deur van wat ooit een legendarische club was, rookt een man alleen. Hij kijkt op zijn telefoon. Waarschijnlijk Grindr.
Het is een beeld dat zich overal in Europa herhaalt. In Berlijn sloot dit jaar Tom's Bar. In Londen verdween de iconische Joiners Arms al eerder. Onderzoek van University College London laat zien dat 58 procent van de gay venues in Londen sinds 2006 is verdwenen. In Amsterdam is het beeld vergelijkbaar. De cijfers van de gemeente spreken voor zich.
De oorzaken zijn bekend. Hoge huren. Veranderend uitgaansgedrag. En vooral: de apps. Waarom de straat op als de jacht ook vanuit bed kan? Toch is dat verhaal te makkelijk. Want wat verdwijnt, is meer dan een uitgaansplek.
De school die niemand zo noemde
Praat met homomannen boven de vijftig en je hoort steeds hetzelfde. De eerste keer in een homobar was een soort initiatie. Je leerde er hoe je moest kijken. Hoe je een drankje aannam. Hoe je nee zei zonder iemand te kwetsen. Hoe je oudere mannen respecteerde, en jongere niet behandelde als prooi.
Niemand noemde het zo, maar het was een school. Een plek waar generaties zich met elkaar vermengden. De man van 55 stond naast de jongen van 22. Soms ging dat mis. Vaak ging het goed. Er werd kennis doorgegeven die nergens anders te krijgen was.
Op een app zie je alleen wie binnen je voorkeur valt. Wie ouder is, filter je weg. Wie jonger is, durft je vaak niet aan te spreken. De vermenging is verdwenen. En daarmee iets wat in geen enkele andere gemeenschap zo werkte.
De stem van buiten
Niet iedereen treurt mee. Een vriendin, hetero, journalist, zegt het zo: "Jullie idealiseren die bars. Het waren ook plekken vol drugs, vol afwijzing op uiterlijk, vol mannen die elkaar als vlees behandelden." Ze heeft een punt. De donkere kamer was niet voor iedereen een veilige plek. Wie te dik was, te oud, te bruin, te vrouwelijk, kreeg dat hard te horen.
Ook jongere homo's halen hun schouders op. "Waarom zou ik naar een bar gaan vol oude mannen die naar me staren?" zei een student van 23 me laatst. "Ik ontmoet mijn vrienden via Discord. Mijn dates via de app. Mijn community online." Hij heeft gelijk dat het werkt. De vraag is of het hetzelfde oplevert.
Wat onderzoek laat zien
Onderzoekers van de Universiteit Utrecht publiceerden vorig jaar een studie over eenzaamheid onder homomannen. De cijfers waren schokkend. Homomannen tussen de 25 en 45 voelen zich significant eenzamer dan hun heteroseksuele leeftijdsgenoten. Ook eenzamer dan homomannen van vijftig en ouder.
Dat is opmerkelijk. De jongere generatie heeft alles wat de oudere niet had. Acceptatie. Huwelijk. Zichtbaarheid. En toch: meer eenzaamheid. De onderzoekers wijzen naar het verdwijnen van fysieke ontmoetingsplekken als een van de oorzaken. Wat je niet ziet, kun je niet aanraken. Wat je niet aanraakt, blijft abstract.
De burgerlijke winst
Er is een gedachte die de afgelopen jaren populair werd in conservatievere homokringen. Die gaat zo: het huwelijk en de acceptatie hebben ons gewonnen, maar ook getemd. We zijn nu zoals iedereen. We trouwen, krijgen kinderen, kopen huizen. De wilde nachten zijn niet meer nodig. Sterker nog: ze waren een symptoom van uitsluiting.
Daar zit waarheid in. De Reguliersdwarsstraat van de jaren tachtig bestond omdat homomannen nergens anders welkom waren. Nu kunnen we overal terecht. Dat is winst. Niemand wil terug naar de tijd dat een hand vasthouden op straat een gevecht opleverde.
Maar er is ook iets vreemds aan deze redenering. Joodse Nederlanders hebben hun eigen plekken. Surinaamse Nederlanders ook. Niemand vindt het raar dat zij ruimtes hebben waar ze onder elkaar zijn. Waarom zou dat voor homo's anders moeten zijn? Acceptatie betekent niet dat verschil verdwijnt.
De jongen in de hoek
Terug naar die dinsdagavond. De man voor de gesloten club kijkt op. We knikken naar elkaar. Hij is begin dertig, schat ik. Hij vraagt of ik een vuurtje heb. Ik rook niet, maar we praten toch even.
Hij is uit Roemenië. Werkt in de horeca. Kwam naar Amsterdam omdat hij dacht dat hij hier zichzelf kon zijn. "Maar er is niemand," zegt hij. "Ik bedoel: iedereen is op de app. Niemand is op straat." Hij lacht. "In Boekarest zaten we tenminste samen in één bar, omdat er maar één bar was."
Het is een opmerking die blijft hangen. Vrijheid kan ook leegte worden. Als je overal welkom bent, ben je nergens echt thuis. De Roemeense bar bestond omdat er niets anders was. Maar het bestond wel.
Wat nu?
Er is geen weg terug. De apps blijven. De huren stijgen door. Wie nu nog een homobar opent in het centrum van Amsterdam is romanticus of dwaas. Misschien beide.
Maar er zijn nieuwe vormen. Queer leesclubs. Mannenkoren. Sportverenigingen voor homo's. Kleinschalige feesten in wisselende locaties. De ontmoetingsplek verdwijnt niet, hij verandert van vorm. Misschien is dat genoeg. Misschien ook niet.
Wat zeker is: de generatie die nu opgroeit, zal niet weten wat een donkere kamer was. Niet als seksuele plek, en niet als school. Of dat verlies of vooruitgang is, weet ik niet. Waarschijnlijk allebei. De man uit Boekarest gooide zijn peuk weg en liep verder. Naar huis, vermoedde ik. Naar zijn telefoon.
