De ruiter en de senator
Rome, 52 na Christus. Een Gallische cavalerist en een jonge senator delen één nacht voor de veldtocht naar het noorden begint.
De ruiter en de senator
Het regende al drie dagen boven Castra Vetera. De modder sopte onder de laarzen van de wacht. In de verte blafte een hond tegen de mist. Lucanus trok zijn mantel dichter om de schouders.
Hij was negenentwintig, cavalerist uit Narbonensis. Vijftien jaar in het zadel. Zijn handen kenden leer, teugels, bloed. Zijn baard was zwart, zijn ogen grijs als tin. Morgen trok het ala uit naar het noorden. Germanië wachtte, met zijn wouden en zijn speren.
De centurio riep hem bij de poort. “Een gast uit Rome. Jij begeleidt hem naar zijn tent.”
Lucanus vloekte binnensmonds. Hij hield niet van gasten uit Rome.
De aankomst
De draagstoel kwam stapvoets tussen de wagens door. Vier doorweekte slaven, een klerk, een escorte. Toen het gordijn opzij ging, zag Lucanus een jonge man met scherpe kaaklijn en donker krullend haar. Zesentwintig misschien. De toga was schoon, de ogen niet.
“Marcus Valerius Rufus,” zei de jonge man. “Senator, per decreet sinds vorige maand.” Zijn stem was laag. Een glimlach die hij niet helemaal kon verbergen. “Jij bent mijn gids?”
“Uw begeleider tot de tent,” zei Lucanus. “Niet meer.”
Marcus lachte kort. “Dat is genoeg.”
Ze liepen door het kamp. De regen sloeg op leren daken. Een paard hinnikte. De geur van natte wol, paardenmest, houtrook. Lucanus voelde de blik van de senator op zijn nek. Hij liep sneller.
De tent
Binnen was het warmer. Een olielamp brandde. Op de klaptafel lagen kaarten, een bronzen beker, een dolk met ivoren greep. Marcus trok de natte toga af. Daaronder droeg hij een eenvoudige tuniek, vuil van de reis.
“Wijn?” vroeg hij.
“Ik heb dienst.”
“Je dienst is mij bewaken. Drink met me.”
Lucanus aarzelde. Toen nam hij de beker aan. De wijn was zuur, met kruiden. Beter dan wat de soldaten kregen.
“Je bent Galliër,” zei Marcus. “Je accent.”
“Uit Narbo. Mijn vader was ruiter. Mijn grootvader ook.”
“En jij rijdt morgen naar het noorden.”
“Bij zonsopgang.”
Marcus zat op de veldkist. Hij keek naar de vlam van de lamp. “Mijn vader stuurt mij hierheen. Om te leren hoe het leger werkt. Hij denkt dat ik te zacht ben voor de Senaat.”
“Bent u dat?”
Marcus hief zijn ogen. “Zeg jij het maar.”
Lucanus antwoordde niet. Er was iets in die blik. Iets dat hij in jaren niet gezien had. Sinds Arminius, een ruiter uit zijn eerste ala, die gestorven was bij Mogontiacum. Sindsdien hield hij zijn hart dicht, als een vuist.
Het geheim
“Er is nog iets,” zei Marcus zachter. “Mijn vader stuurt mij weg omdat er geruchten zijn. In Rome.”
“Wat voor geruchten?”
“Dat ik mij verkeerd gedraag. Met wie ik niet mag.”
De stilte werd dik. Buiten sloeg de regen tegen het leer. Lucanus zette de beker neer. Zijn hart ging sneller, al wilde hij dat niet.
“Waarom vertelt u dat aan mij?”
“Omdat ik bang ben,” zei Marcus eenvoudig. “Omdat ik morgen een vreemd kamp zie, en overmorgen een veld vol lijken. Omdat ik iemand wil die niet liegt.”
“U kent mij niet.”
“Jij keek naar me toen ik uitstapte.”
Lucanus voelde de warmte stijgen in zijn hals. Hij had gekeken. Één seconde, niet meer. Maar genoeg.
Hij stond op. “Ik moet gaan.”
“Blijf.”
Het woord hing tussen hen in, zonder gewicht en toch zwaar.
De nacht
Lucanus bleef. Hij wist niet waarom. Of hij wist het te goed. Vijftien jaar aan de rand van de wereld, vijftien jaar van mannen die stierven met open ogen. Morgen trok hij weer naar de wouden. En deze jonge senator, met zijn natte haar en zijn bange mond, was een warmte die hij niet kon weigeren.
Marcus stond op. Hij kwam dichterbij, langzaam, zoals je een paard benadert dat je niet kent. Zijn vingers raakten de leren riem op Lucanus’ borst. Niet meer. Een vraag, geen bevel.
“Als iemand ons ziet,” fluisterde Lucanus, “bent u verloren. En ik ook.”
“Niemand ziet ons.”
De olielamp flakkerde. Lucanus sloot zijn ogen. Toen hij ze opende, was Marcus nog dichterbij. De regen, de paarden, het hele kamp viel weg. Er was alleen nog het geluid van twee ademhalingen die elkaar zochten.
Hij boog zijn hoofd. Hun voorhoofden raakten. De baard van Lucanus streek langs de gladde kaak van de jongere man. Marcus’ vingers kropen omhoog, vonden de nek, de harde spier daaronder. Een zucht, nauwelijks hoorbaar.
Toen kuste Lucanus hem. Eerst voorzichtig, alsof hij iets breekbaars oppakte. Toen voller, trager, met de honger van een man die jaren gezwegen heeft. Marcus greep de tuniek, trok hem dichter. De olielamp wierp schaduwen op het leer.
Ze lieten de kleren vallen als huiden die niet meer pasten. Op de smalle veldbedsteden voelde Lucanus de warmte van een lichaam dat geen gevecht kende. Gladde schouders, een litteken op de heup van een jachtongeluk. Marcus’ handen leerden hem opnieuw: de ruwe plekken van leer en teugel, de oude wonden, de hartslag onder de ribben.
Er werden geen woorden gesproken. Alleen adem, en beweging, en het lage kreunen van een man die eindelijk wordt aangeraakt. De regen tikte door. Ergens ver weg floot een wacht. Lucanus voelde Marcus’ mond in de holte van zijn hals, en dacht: dit is het. Dit is waarvoor mannen sterven en waarover nooit zingen.
Toen het voorbij was, lag Marcus met zijn hoofd op de brede borst van de ruiter. Hij luisterde naar het kloppen daar. Lucanus streek met zijn eeltige duim over de wenkbrauw van de jongere man.
“Hoe oud was je,” vroeg Marcus, “toen je voor het eerst reed?”
“Zeven. Mijn vader zette me op een grijze merrie. Ik viel er drie keer af.”
Marcus glimlachte tegen zijn huid. “En daarna?”
“Daarna viel ik niet meer.”
De ochtend
De hoorn klonk voor het eerste licht. Lucanus was al wakker. Hij was het al een uur, kijkend naar het gezicht dat op zijn arm sliep. De lamp was uit. Door het tentzeil kwam grijs licht.
Hij kleedde zich zonder geluid. Leren broek, tuniek, harnas van ringen. De riem, de dolk, de laarzen. Elke handeling een oud ritueel. Hij was weer de ruiter.
Marcus werd wakker toen Lucanus zich over hem boog.
“Ga je?”
“De ala vertrekt.”
“Wanneer kom je terug?”
“Na de zomer. Als ik terugkom.”
Marcus ging rechtop zitten. Zijn haar stond in alle richtingen. Zonder toga, zonder titel, was hij gewoon een man van zesentwintig met angst in zijn ogen.
“Ik blijf drie maanden in het kamp,” zei hij. “Daarna Rome.”
“Ik weet het.”
“Lucanus.” Het was de eerste keer dat hij de naam zei. “Schrijf me niet. Het is te gevaarlijk.”
“Ik weet het.”
Marcus pakte de dolk met de ivoren greep van de klaptafel. Hij drukte hem in de hand van de ruiter. “Neem mee. Als je hem terugbrengt, weet ik dat je leeft.”
Lucanus keek naar het wapen. Te fijn voor een cavalerist. Maar hij sloot zijn vingers eromheen.
Hij boog zich nog een keer. De kus was kort. De smaak van slaap en wijn en iets dat geen naam had.
Het vertrek
Buiten was de regen gestopt. De lucht rook naar natte aarde en paardenzweet. De ala stond in formatie, tweehonderd ruiters, de vaandels zwaar van de nacht. Lucanus steeg op. Zijn hengst brieste, ongeduldig.
Hij keek niet om naar de tent. Dat kon niet. Een centurio keek toe. Een klerk noteerde namen.
Maar toen de rij zich in beweging zette en hij langs de laatste wachttoren reed, hoorde hij voetstappen op het houten plankier. Hij wierp één blik over zijn schouder.
Marcus stond bij de poort, in zijn eenvoudige tuniek, het haar nog warrig. Hij hief geen hand. Hij knikte alleen, één keer.
Lucanus knikte terug. De ivoren greep van de dolk drukte tegen zijn heup, koel en echt.
Toen reed hij de mist in, naar het noorden, waar de wouden wachtten en de goden zwegen. Achter hem werd Castra Vetera kleiner. Voor hem strekte Germanië zich uit, eindeloos en grijs.
Hij boog zich over de hals van zijn paard en fluisterde een naam die niemand mocht horen. De hengst spitste de oren, alsof hij het verstond.